Praktische handelingen in de zeven posities
Te bekijken als een start voor een studie om te komen tot éénvormigheid


- Vooraf de te keuren dieren bekijken in de kooien.
- Dieren die U op het eerste zicht bevallen noteren.
- Deze in het oogspringende exemplaren heeft U reeds in gedachten vergeleken met de standaardeisen voor het type en enkele raseigenschappen.
- Bij twijfel niet aarzelen en verlegen zijn om de standaard te raadplegen.
Voorbeeld 1: een Belgische haas met alertheid en prachtige kleur.
Voorbeeld 2: een Franse hangoor met prachtige kop en body.

Een goede zaak als er voorgedrukte keurkaarten voorhanden zijn.
Spaart veel werk uit voor Uw schrijver, handig voor uzelf en overzichtelijk voor de fokker.
Het zou in de toekomst mogelijk moeten zijn om tot een universele keurkaart te komen.
- Controleer altijd eerst oornummer en geslacht.
- Lijkt niet altijd zo evident. Toch kan het belangrijk zijn of men te maken heeft met een oud of jong dier.
Voorbeeld :
- Voedsters met aanleg tot kraagje
- Rammen met weinig ontwikkelde koppen.
- Dieren met gewichtsproblemen.

Een gouden zaak is eerst te beginnen met positie 2 / het gewicht.
In Duitsland doet dit men al geruime tijd. Het gewicht moet daarvoor niet altijd genoteerd worden maar het geeft een schat aan informatie die U kan incalculeren in verscheidene posities. Het geeft ook een zekerheid dat U niet de bocht uit gaat want als men verschillende rassen te keuren krijgt heeft men bij overschakeling naar een ander ras steeds tijdelijke problemen met verlies aan inschattingsvermogen van het gewicht!
Voorbeeld 1: Een Witte Nieuwzeelander weegt 3.9Kg. Dit gewicht wordt niet genoteerd op de kaart, maar wel meegenomen in Uw totale beoordeling. Men kan eventueel besluiten dat het dier nog jong is of dat er conditieproblemen zijn. In positie 1(type en bouw) kan men jonge dieren pardonneren zonder een streep te moeten geven. Bij oudere dieren geen pardon en onmiddellijk een streep geven.
Voorbeeld 2: Een concreet voorbeeld van verlies aan inschattingsvermogen is het overschakelen van bv. Vale van Boergondie naar Hangoordwerg. Men zal de eerste dieren van de dwergen gegarandeerd verkeerd inschatten op hun gewicht!
Voorbeeld 3: Een Belgische Haas weegt 3.8kg. Automatisch zal men gaan kijken bij positie 1 of het type lang genoeg is of dat het probleem elders ligt.

1/TYPE EN BOUW
Wacht met het onmiddellijk invullen van het type tot U een overzicht heeft van de lichaamsbouw. Het type geeft de contouren aan het skelet en de bouw is daar de opvulling van. De bouw staat steeds in correlatie met het type.
Voorbeeld : Een Vlaamse Reus met problemen in de schouders heeft ook geen goed type mee. Een Van Beveren, breed in de schouders heeft geen goed type. Probeer het dier een zekere stelling te geven of goed te plaatsen, doe desnoods verscheidene pogingen. Dier wat oprichten en stand van de benen en voeten controleren (wordt weinig gedaan). Deze handeling is niet altijd even gemakkelijk.
Voorbeeld: een Vlaamse Reus die zich drukt op de keurtafel is zeer moeilijk te beoordelen op zijn beenstand. Op hetzelfde moment nakijken op kraagje, wam, beenwam, broek en los borstvel. Met de hand de lichaamsbouw aflopen en tussentijds zeer goed observeren. Bouwfouten steeds vermelden op de keurkaart en bestraffen volgens graad van afwijking en in verstandhouding met de indeling van het ras in zijn groep.
Voorbeelden van bouwfouten :
Geknepen achterhand, smal in schouders enz.
Afwijkingen van type steeds vermelden op de kaart. Een afwijking op type is minder te tolereren dan een afwijking op de lichaamsbouw.
Voorbeelden van types: walsvormig, gedrongen, kort, massief, gestrekt enz.
Controle van de staart.
Controle nagels en tanden eventueel verschuiven pos.4 of 5 of 6.
De reden is dat men in die posities toch het dier moet omdraaien om de onderkant te bekijken. Als men het dier ook nog eens omdraait in positie 1 heeft het dier te veel stress.
Bij de groepen 2-3-4-7 moet men de beoordeling van kop en oren plaatsen bij positie 1 type en bouw. De kopstructuur moet goed gekend zijn per ras en afwijkingen moeten steeds op de kaart vermeld worden.
Voorbeelden van kopvorm : Ruitvormig, bolvormig, driehoekig enz. Terwijl men de kop bekijkt let ook op de ogen. Uitgezakte oogleden en andere oogfouten komen frequent voor.
De oren moeten steeds worden gemeten.
Tolerantie inbouwen volgens ras en lichaamsverhoudingen.
Uitschieters steeds declasseren.
Verder worden de oren steeds beoordeeld op hun dracht, vorm en structuur. Afwijkingen steeds noteren. Men mag zeker niet vergeten melden als de oren weinig behaard zijn.
Voorbeelden van oren in hun geheel: Mooi gesloten gedragen, lepelvormig en vlezig.

2/GEWICHT
Heeft reeds plaats gevonden. Bij bepaalde rassen is het standaardgewicht niet meer relevant. Daarom alléén het gewicht noteren als U van plan bent een streep te geven. De keurmeester zal bij bepaalde rassen tolerant zijn voor de standaardgewichten tot deze aangepast zijn door de standaardcommissie. Het voordeel van het wegen is dat men tijdens een bepaalde periode een tendens kan opmerken in verschuivingen van het gewicht bij een welbepaald ras. Ofwel worden de fokkers met de neus op de feiten gedrukt ofwel volgt de standaard deze tendens.
Voorbeeld 1: een voedster Wit van Dendermonde gaat iets over het maximumgewicht.
Vermelden : Dier zit op maximumgewicht.
Bij minimumgewicht kan men zich verschuilen achter positie 1 door op de keurkaart te vermelden: lichaam mist body, moet wat zwaarder in zijn geheel.

3/ PELS
De pels wordt steeds beoordeeld naar volgende begrippen.
Dichtheid / Lengte / Structuur / Rijpheid
De standaard vermeldt heel wat soorten pelsen. Het spreekt voor zich dat die zeer goed moeten gekend zijn door de keurmeester want een konijn is toch in eerste instantie een pelsdier.
De pels is in correlatie met de structuur van de lichaamsbouw. Men moet daar altijd rekening mee houden.
Voorbeeld : Dunhuidigen hebben een fijne pelsstructuur.
De kleuren bij onze konijnen zijn maar optimaal als de pels optimaal is (( standaardeisen voor het desbetreffende ras).
Voorbeeld : Bij een Alaska, met gemis aan pelsconditie, heeft men geen intens zwarte kleur.
Pelsfouten moeten altijd worden vermeld op de keurkaart!
Voorbeeld : Pels van een Witte Wener" Zeer goede pels": (men bedoelt hier dat alles in orde is). Zeer goede dichtheid, begranning wat lang (lichte fout) "Pels wat wollig": (men bedoelt dat de begranning te slap of de gran benadert de structuur van een wolhaar). "Pels in verharing maar wordt prima": (pels is niet rijp).
Pels ruw, weinig onderwol, slap, te lang of te kort, wollig (zijn zware fouten).
Voorbeelden van pelsen in zijn geheel:
Normaalhaar-lang, zeer dicht van onderwol en een stevige grannenstructuur, pels ligt mooi aan.
Normaalhaar-kort, veel onderwol, fijne grannenstructuur, pels ligt glad aan met veel glans.

4+5+6/RASKENMERKEN KLEUR
Kop en oren worden vermeld onder positie 4
Beoordelen van de oorlengte / oorstructuur / oordracht / oorvorm
Beoordelen van de kop en de ogen, bij deze groep mag men iets toleranter zijn bij lichte fouten in positie 1 als de posities 4+ 5+6 prima zijn.
Dek en buikkleur(ook grondkleur op buik), oog en nagelkleur worden vermeld onder positie 5
Wachten met iets te schrijven en invullen van de posities 5+6 over de kleur.
Eerst het dier omdraaien om het te bekijken op de borst, benen, nagels, ogen, buik en de onderkant van de staart.
Dek en buikkleur staan in correlatie met elkaar. Terwijl het dier omgedraaid is profiteert men om naar de tanden te kijken.
Tussen- en grondkleur worden vermeld onder positie 6
Inblazen van de pels terwijl men het dier behandelt.
Noteren op de keurkaart van de tussen- en de grondkleur op dek plus de eventuele afwijkingen.
Niet veel afwijkingen toestaan bij positie 5+6.

TEKENING
Koptekening wordt vermeld onder positie 4.
Beoordelen van alle punten van de koptekening. Zich niet verliezen in details maar toch laten merken waar de grens ligt.
Lichaamstekening is positie 5.
De waarde inschatten van de lichaamstekening.
Belangrijke afwijkingen onmiddellijk noteren. Niet terugdeinzen om positieve opmerkingen te schrijven. Omdraaien van het dier om controle van de tekening aan de onderkant van het dier, tezelfdertijd observeren van nagels, oogkleur en staart.
Positie 6 is kleur.
Kleur in zijn context plaatsen.
Inblazen en afblazen niet vergeten.
Controle op overdreven toiletteren.

VERZILVERING
Positie 4 spreekt over dekkleur en nuance.
Bekijk vooraf de dieren in de kooien om daar eventuele nuanceverschillen op te merken en een referentiepunt te bepalen.
De nuance is iets minder belangrijk, maar het mag niet uit de hand lopen.
Positie 5 spreekt over de gelijkmatigheid van de verzilvering.
De gelijkmatigheid van de verzilvering over het ganse lichaam is zeer belangrijk voor de waardebepaling. Vergeet niet het dier om te draaien om onderaan de verzilvering te bekijken. Wanneer de verzilvering op bepaalde lichaamsdelen afwijkt zal men dit duidelijk vermelden.
Positie 6 spreekt over de tussen en de grondkleur.
De tussenkleur en de grondkleur moeten gecontroleerd worden op zuiverheid en intensiteit.
De oog en nagelkleur zeker bij de zilvers vermelden op de keurkaart!

PATROON
Wees wat tolerant bij deze groep in de posities 1+2, als de posities 4+5+6 prima zijn
Patroon valt onder positie 4.
Dier eerst goed bekijken op alle punten van het patroon vooraleer details te gaan vermelden op de keurkaart.
Zich niet verliezen in negatieve opmerkingen bij zeer lichte afwijkingen. Denk aan het eindpredikaat.
Positie 5 spreekt over de dek- en buikkleur.
Men heeft het dier reeds omgedraaid onder positie 4. Niet nodig het dier dit nog eens aan te doen.
Tijdens positie 4 ook de volgende positie mee beoordelen. Vergeet oog en nagelkleur niet.
Positie 6 gaat over de tussen- en de grondkleur.
Controle van de tussen- en grondkleur.
Bij deze groep zijn deze kleuren vrij bepalend voor het patroon samen met positie 5 en moeten dan ook ernstig worden genomen.
Voorbeeld : Een midden sepia Kleurdwerg moet zeer goed zijn in positie 5+6 omdat anders positie 4 de mist in gaat! Omgekeerd evenzeer.
Opmerking 1: Verlang niet het onmogelijke bij een patroontekening!
Opmerking 2: Men moet zeker weten dat de kleuren in deze groep verschieten met het ouder worden van het dier!

WIT
Weinig tolerantie toelaten in alle posities!
Positie 4 bepaalt de kopstructuur.
Beoordelen kopstructuur en ogen.
Hier moet enorm veel aandacht aan gegeven worden.
Afwijkingen direct noteren op de keurkaart. Geen cadeaus geven.
Oren bepalen positie 5. Bekijken van de oorlengte, oorvorm, oorstructuur en oordracht.
Ook hier weinig tolerant zijn in de beoordeling. Let op de beharing van de oren.
Positie 6 bepaalt de kleur.
De meeste Keurmeesters schrijven bij deze positie niets op. Men moet er rekening mee houden dat een smetteloos witte vacht bij deze groep niet onder de conditie valt maar onder positie 6 en dat er 15 punten op staan.
Soms kan men door een te fijne structuur een ivoorkleurige schijn waarnemen. Dat moet men dan vermelden als men geen opmerking gemaakt heeft bij de pelsstructuur. Vergeet niet het dier eens om te draaien.
Conditie is geen raskenmerk voor deze groep maar is medebepalend voor positie 1.

HANGOREN
Kopstructuur is positie 4. Dier van op verschillende afstandspunten bekijken om de kopstructuur te bestuderen. Op hetzelfde moment naar de ogen kijken. Zeer streng zijn in afwijkingen en noteren. Deze positie is determinerend voor het predikaat.
Oren en behang is positie 5.
Ook hier weinig of geen afwijkingen tolereren. Betasten en bekijken van de kronen en de oren.
Controle op de oorlengte, oordracht, oorvorm en oorstructuur.
Positie 6 beschrijft de kleur.
Dier beoordelen op zijn dekkleur, tussen en grondkleur. Omdraaien en kijken naar buikkleur, staartkleur, nagel en oogkleur.
In die positie bij hangoren niet vergeten te kijken naar de tanden.
De groep hangoren heeft dichte pelsen met een behoorlijke lengte. Het is soms toegestaan om iets tolerant te zijn bij lichte afwijkingen in de kleur. Vooral bij uitgesproken typedieren met zeer mooie positie 1+ 4+5.

BIJZONDERE HAARSTRUCTUUR
HET IS LOGISCH BIJ DEZE GROEP DE POSITIES 3+4+5 SAMEN TE VERMELDEN ONDER LENGTE-DICHTHEID-STRUCTUUR- RIJPHEID. Positie 4 spreekt over de haarstructuur.
Dier steeds eerst van op een afstand bekijken om de pelstoestand goed te kunnen waarnemen.
Positie 5 is lengte en dichtheid van de pels.
Met het oog en de hand intens controle doen van de lengte, dichtheid en structuur van de pels. Dier niet vergeten bekijken over het ganse lichaam.
Positie 6 is kleur.
Terwijl men de pels beoordeelt neemt men akte van de kleur in al zijn facetten.

7/ CONDITIE
Type en bouw zijn maar optimaal als het dier mooi hard bevleesd is zonder vetvorming.
Loshuidigheid, traanogen, lange nagels, bevuiling, mestballen tussen de nagels enz. zijn zware conditiefouten.
Pels met klitten, volle verharing, ongedierte enz. zijn zware conditiefouten.
Ziekteverschijnselen zijn zware conditiefouten.
Conditioneren ter verbetering van de posities 4+5+6+7 mag, maar men mag niet overdrijven.
Voorbeeld :
positie 1+3 Een kraagje wegsnijden met een schaar. Flink uitdunnen van de borstharen
Positie 4+5 Bijkleuren of verwijderen van vlekken. Verwijderen van haren zodat gootjes ontstaan.
Positie 4 Verwijderen van pluizen met kale vlekken tot gevolg. Bijkleuren van nagels. Enz.

Rudy Pauwels