De kleurdwerg is een Nederlands ras. Het werd in de jaren 30 in Nederland ontwikkeld uit roodoog Pooltjes en wilde konijnen van een klein slag. De gehanteerde standaard is dezelfde als die van de roodoog Pool.
In 1940 werd het ras in Nederland erkend. De eerste kleurdwergen waren bijna allemaal konijngrijs. Aanvankelijk mochten ze een lichaamsgewicht hebben van 1,5 kg en een oorlengte van 7 cm. Na de tweede wereldoorlog ontstond de zwarte kleurslag, vervolgens ontwikkelden de fokkers ook ijzergrauwe dieren en diverse marterkleuren. Door inkruising van andere rassen werd het kleurengamma van de kleurdwerg nog uitgebreid. De eerste kleurdwerg met een specifiek kleurpatroon was de kleurdwerg met rusuitmonstering. Dit was gedurende lange tijd de enige erkende uitmonstering, maar tegenwoordig komt de kleurdwerg in vrijwel alle bekende aftekeningen en uitmonsteringen voor
Land van oorsprong: Nederland.
In Nederland erkend: 1 Mei 1940.
1. Type en bouw.
Het lichaam is kort, gedrongen, met zeer korte hals, (z.g. halsloos type ),
fraai ronde contouren en goed gevulde achterhand; de beentjes zijn recht en
kort. De voeten zijn kort goed gesloten; het staartje is klein en smal en is
nauwsluitend tegen de achterhand gedragen.
2. Gewicht. Het gewicht bedraagt 0.8 tot 1.1 kilo
3. Pels en pelsconditie.
De pels is iets korter dan normaal, zacht en glanzend, met veel onderwol. De
ideale pelsconditie bij het tentoonstellingsdier is een geheel doorgehaarde
pels, zonder dun behaard of kaal plekje. De verharing herkent men duidelijk
aan het grannenhaar, het oude, afstervende en het nagroeiende, krachtig gekleurde
haar is zichtbaar en te onderscheiden. Niet enkele in het rond vliegende haren,
maar flink loslatend haar is als verharing te beschouwen. De pels moet vol ingehaard,
glanzend en aanliggend zijn.
4. Kop en oren.
De kop is bolvormig, met breed voorhoofd, sterk gebogen neusbeen, brede sterk
ontwikkelde kaken en snuit. (de overgang van kaakpartij tot snuit is dus zeer
geleidelijk). De ogen zijn groot en uitspringend. De oren zijn van een fijn
weefsel, zij worden strak en zeer nauwsluitend gedragen. De inplanting is zo
nauw mogelijk. Ze zijn smal van vorm en lopen geleidelijk in een lichtelijk
afgeronde punt uit.Oortjes zijn van 4 tot 6 cm. De ideale oorlengte ligt omstreeks
5.2 cm. Ze zijn dicht, maar zeer kort behaard.
De kleurdwerg wordt erkend in volgende variëteiten:
Kleur
haaskleur, konijngrijs, ijzergrauw, bruingrijs, blauwgrijs, bruingrauw,
blauwgrauw, zwart, blauw, geel, oranje en chinchilla.
Tekening :
Witte van hotottekening
Hollander tekening in de kleuren konijngrijs, blauwgrijs, zwart, blauw en bruin
Rustekening in de kleuren zwart, blauw en bruin
Verzilvering:
middenzwart en middenblauw
Patroon
Madagaskar, isabella, zilvervos (zwart, blauw en bruin) tan (zwart, blauw
en bruin), donker sepia marter, midden sepia marter, donkerblauw marter, middenblauw
marter, middengeel marter, donker sepia marterzilvervos, midden sepia marterzilvervos,
donkerblauw marterzilvervos, middenblauw marterzilvervos
GROEP1-KLEUR
1/ TYPE EN BOUW 20 PUNTEN
2/ GEWICHT 10 PUNTEN
3/ PELS 20 PUNTEN
4/ KOP EN OREN 15 PUNTEN
5/ DEK EN BUIKKLEUR 15 PUNTEN
6/ TUSSEN EN GRONDKLEUR 15 PUNTEN
7/ CONDITIE 5 PUNTEN
TOTAAL 100 PUNTEN
1/Type en Bouw (20punten)
1a/Type
Het ideale dwergentype is dit van een kort, gedrongen en geblokt konijntje.
De kop zit zo kort mogelijk tegen het lichaam aan zodat het zogenaamde halsloos
type ontstaat. Het beendergestel is fijn en de contouren zijn edel. In feite
heeft men ook hier een walsvormige lichaamsbouw.
1b/Bouw
Bovenaanzicht en zijprofiel tonen een korte rechthoek. De voorhand (ribbenpartij
is mooi gewelfd en goed bevleesd) is even breed als de achterhand (kruis is
breed ontwikkeld en goed bevleesd) en het lichaam is in zijn totaliteit mooi
gevuld. De achterhand is zeer mooi en kort afgerond. Met andere woorden, de
lichaamsbouw vertoont overal mooie contouren en afrondingen. De hals is zeer
kort zodat de kop als het ware in de romp geduwd zit.
Een wam is nooit toegelaten bij de beide geslachten.
De voorbeentjes zijn kort, fijn, edel, dun en kaarsrecht. De voorvoeten zijn
zeer kort en goed gesloten.
De achterbeentjes staan mooi parallel met het lichaam.
Het staartje is klein, smal en ligt mooi strak in het midden van de achterhand
aan.
Opmerkingen.
- Wanneer de voorhand en de achterhand niet even breed zijn verkrijgt men een
wigvormige lichaamsbouw.
- Ziet men de hals dan heeft men te doen met een smalle en langere lichaamsbouw.
- Veel dwergen vertonen uitstaande knieën en missen daarom een gestroomlijnde
lichaamsbouw. Te smal in lenden geeft hetzelfde verschijnsel.
- De achterhand moet een mooie afronding laten zien. De darmbeentjes(gleufje)
mogen niet of nauwelijks voelbaar zijn. Hoekige achterhanden zijn scherp te
veroordelen.
- Een frequent verschijnsel bij dwergen is de geknepen achterhand. Dit verkrijgt
men als de stand van het bekken(samenstelling heupen en kruis) niet goed gepositioneerd
staat. Een geknepen achterhand toont een smal bekken, de heupknobbels staan
teveel naar elkaar en de achterbeentjes welke in het verlengde staan gaan niet
meer evenwijdig met het lichaam mee, maar staan naar buiten gekeerd. Ook zullen
dan de dijen ingevallen zijn en niet mooi bol gevuld.
- Afgeplatte achterhanden zijn ook sterk te veroordelen. Hier krijgt men werkelijk
geen mooie afrondingen.
- Bij dwergen steeds controle doen op los in borst, kraagje of wam.
- De voorbeentjes mogen absoluut niet lang of grof zijn. Lange pelsen geven
hier soms een vertekend beeld. Lange beentjes doen afbreuk aan het type.
2/Gewicht (10 punten)
Minimum 800gram = 6 punten
Ideaal 900gram = 10 punten
Maximum 1100gram = 9 punten
Deze gewichten gelden vanzelfsprekend voor uitgegroeide dieren.
3/Pels (20 punten)
De pels van de kleurdwerg behoort tot de normaalvariëteiten.
De pels wordt steeds bepaald door zijn Lengte, Dichtheid, Structuur en Rijpheid.
A/ Lengte: de lengte van de pels is normaalhaar-kort. Dat wil zeggen ongeveer
2.5cm. De lengte van de pels wordt niet gemeten maar beoordeeld met het oog
en het gevoel.
B/ Dichtheid: de pels is dicht (veel onderwol).
C/ Structuur: een gelijkmatige en ruim aanwezige begranning die fijn en zacht
van structuur is en dit gepaard gaande met soepelheid en veerkracht.
D/ Rijpheid: de pels moet mooi doorhaard zijn, mooi gesloten aanliggen en veel
glans bezitten.
Opmerkingen
- De pels kan te lang zijn.
- De pels kan te weinig onderwol hebben.
- De pels kan te weinig begranning hebben. (wollige pels met weinig glans)
- De pels kan een stugge of een slappe structuur vertonen. (stugge of slappe
pels met weinig glans)
- Een slappe pels geeft ook en wollige structuur omdat de grannenharen dan te
fijn worden en de structuur van een onderwolhaar aannemen.
- Pels kan niet mooi aanliggen, open staan, ontgranning hebben door verharing,
niet mooi glanzen.
- Een lange pels kan het optisch bedrog geven van een goede lichaamsbouw, benen
en kop.
4/KOP&OREN (15punten)
4a/KOP
De kop moet zowel in vooraanzicht als in zijprofiel gelijk zijn aan een cirkel
of althans dit zoveel mogelijk benaderen. Men verlangt een kort bolrond kopje
zonder insnoeringen, en zonder een deukje of gleufje tussen de ogen. Het neusbeen
is daardoor sterk gebogen, het voorhoofd en het neusbeen zeer breed met flink
ontwikkelde kaken en zeer goed gevulde wangen. De overgang van de brede snuitpartij
naar de wangen verloopt mooi rond zonder insnoeringen. Men houdt er rekening
mee dat men ook boven de ogen mooie afrondingen moet hebben. Wanneer dit laatste
niet zo is dan krijgt men markante zware koppen zoals men ziet in Duitsland
en die niet bolvormig zijn.
De ogen puilen iets uit en zijn tintelend en groot. De ogen liggen in het midden
van de cirkel, gezien in zijprofiel. De afstand van het oog naar neuspunt is
dezelfde als de afstand van het oog naar de oorbasis.
4b/Oren
De oren van de dwerg vormen een belangrijk punt bij de beoordeling. Ook bij
de totale indruk van het dier spelen zij een belangrijke rol. De oren kunnen
gesplitst worden in vijf aparte onderdelen.
Ten eerste is de lengte zeer belangrijk. De maximum lengte is 6cm. Een ideale
lengte is er in principe niet, alhoewel de standaard 5 cm aangeeft als richtpunt.
Een minimum lengte bestaat niet. Het is wel zo dat de oortjes in verhouding
moeten zijn met de rest van het lichaam.
Een tweede belangrijk onderdeel is de inplanting van de oortjes. De oren moeten
nauw en recht tegen elkaar ingeplant zijn. Zodat de oren in voorprofiel strak
tegen elkaar gedragen worden en zo één vlak vormen. Te wijd ingeplante
oortjes zijn uit den boze en heeft tot gevolg dat de oortjes niet kunnen sluiten.
Ten derde is de vorm van de oren uiterst belangrijk. De oorvorm moet in voorprofiel
gelijken op een gelijkbenige driehoek die eindigt in een licht afgeronde punt.
Aan de basis mogen de oren niet te breed zijn. In zijprofiel ziet men duidelijk
smalle oortjes.
Ten vierde dient de structuur van de oren van een fijn weefsel te zijn zonder
daarom papierachtig te worden. Ook te grof is niet goed omdat dan de oortjes
hun puntigheid verliezen.
Ten vijfde dient men op de oortjes voldoende beharing te hebben. Die beharing
moet kort zijn. Een lange beharing aan de gehooringang noemen wij franje en
is eigenlijk niet mooi.
Opmerkingen
- Bij de beoordeling van de kop moet men smalle koppen en koppen met een lang
neusbeen (muizenkoppen) sterk veroordelen. Ook de grove maar niet bolle koppen
(Duits Type) zijn niet gewenst.
- Er opletten dat de kop bolvormig is in alle gezichthoeken.
- Een probleem dat zich voordoet bij dwergenkoppen is het zogenaamde klemgebit.
Door het extreem gebogen en kort neusbeen wordt de bovenkaak korter in lengte.
Als de onderkaak niet korter wordt komen de snijtanden recht op elkaar te staan,
waardoor ze niet meer beitelvormig afslijten. Het gevolg hiervan is dat de snijtanden
horizontaal worden afgesleten.
- Over het algemeen hebben rammen een wat zwaardere kop. In zijprofiel mag er
geen verschil te zien zijn tussen beide geslachten.
- De oortjes mogen in vooraanzicht geen opening laten zien over de volledige
raaklijn van de twee oortjes.
- Grove oortjes streng bestraffen. In vooraanzicht mogen de achterste oorranden
niet te zien zijn.
- De oren hebben in alle gezichthoeken een smalle vorm en een gelijkmatige structuur.
- De oortjes mogen niet te veel franje bezitten.
KLEUR
5/DEKKLEUR EN BUIKKLEUR (15punten)
6/TUSSEN EN GRONDKLEUR (15punten)
De kleurdwerg is erkend in volgende kleuren:
Haaskleur, ijzergrauw, bruingrauw, blauwgrauw, konijngrijs, bruingrijs, blauwgrijs,
geel, zwart, bruin, blauw, oranje, chinchilla
De kleurdwerg is erkend in volgende patronen:
Madagascar, isabelle, zilvervos (zwart, bruin, blauw) , tan, donker sepia marter,
midden sepia marter, donkerblauw marter, midden blauw marter, midden geel marter,
donker sepia marter zilvervos, midden sepia marter zilvervos, donker blauw marter
zilvervos, midden blauw marter zilvervos.
De kleurdwerg is erkend met volgende tekening:
Wit van Hotot.
Hollander met de kleur konijngrijs, blauwgrijs, zwart, blauw en bruin.
Rus in zwart, bruin en blauw.
De kleurdwerg is erkend met verzilvering:
Middenzwart en middenblauw.
Rudi Pauwels
A-Keurmeester
© Vlaamse Pool- en Kleurdwergenclub: home